Portugees → Engels - vestir

Uitspraak
v. attire, costume; wear; apparel, accoutre; clothe, dress

Spaans → Engels - vestir

Uitspraak
v. clothe, dress; wear

Spaans → Duits - vestir

Uitspraak
v. kleiden, bekleiden, ankleiden, anziehen, tragen, anhaben, einkleiden, kostümieren, schmücken, drapieren, kleiden: sich kleiden

Portugees → Frans - vestir

Uitspraak
1. (transitivo) vêtir; habiller
2. (vestimenta) porter; mettre; habiller

Spaans → Frans - vestir

Uitspraak
1. (transitivo) vêtir; habiller
2. (vestuario) mettre; habiller

Spaans → Russisch - vestir

Uitspraak
v. одевать, надевать

Spaans → Koreaans - vestir

Uitspraak
v. 옷을 입히다, 장식하다


Werkwoordsvormen

Gerúndio; Particípio pretérito: vestindo; vestido
Presente do indicativo: visto, vestes, veste vestimos, vestis, vestem
Pretérito imperfeito do indicativo: vestia, vestias, vestia vestíamos, vestíeis, vestiam
Pretérito perfeito simples do indicativo: vesti, vestiste, vestiu vestimos, vestistes, vestiram
Pretérito mais-que-perfeito simples do indicativo: vestira, vestiras, vestira vestíramos, vestíreis, vestiram
Futuro do p
© dictionarist.com