Frans → Nederlands - placer

Uitspraak
1. (mettre) steken 2. (invité) zetten; plaatsen
3. (position) plaatsen; op de juiste plaats zetten; situeren 4. (finance) investeren; beleggen
5. (objets) plaatsen; leggen; zetten

Engels → Frans - placer

Uitspraak
n. sable aurifère (m), gravier aurifère (m)

Engels → Italiaans - placer

Uitspraak
s. chi colloca, chi mette

Engels → Pools - placer

Uitspraak
n. pakowacz

Engels → Portugees - placer

Uitspraak
s. negócio lucrativo, terra de aluvião (f)

Engels → Roemeens - placer

Uitspraak
n. plasator

Engels → Russisch - placer

Uitspraak
с. россыпь, золотой прииск

Engels → Spaans - placer

Uitspraak
s. placer (m)

Engels → Oekraïens - placer

Uitspraak
n. золотоносний: золотоносна жила, розсип

Frans → Engels - placer

Uitspraak
v. place, put; seat; post, position, situate; invest

Spaans → Engels - placer

Uitspraak
v. have fun, have a good time, be entertained

Engels → Grieks - placer

Uitspraak
ουσ. τοποθετών, θέτων μεταλλοφόρον έδαφος

Engels → Turks - placer

Uitspraak
i. alüvyon, nehrin taşıdığı madenler, nehirden elekle çıkarılan altın

Frans → Duits - placer

Uitspraak
v. stellen, legen, setzen, ansetzen, bringen, plazieren, postieren, einsetzen, anweisen, verlegen, liegen, tun, anbringen, unterbringen, anlegen, investieren, auslegen, verteilen, absetzen

Spaans → Duits - placer

Uitspraak
n. lust, vergnügen, behagen, gefallen, wohlgefallen, genuss, pläsier, wonne, sandbank
v. gefallen

Frans → Italiaans - placer

Uitspraak
1. (mettre) conficcare 2. (invité) far sedere; mettere a sedere
3. (position) sistemare; collocare; mettere a posto; situare 4. (finance) investire
5. (objets) porre; deporre; posare

Frans → Portugees - placer

Uitspraak
1. (mettre) enfiar 2. (invité) sentar
3. (position) posicionar; colocar no lugar; situar; colocar; implantar 4. (finance) investir
5. (objets) colocar; pousar; por; botar

Frans → Russisch - placer

Uitspraak
v. помещать, размещать, ставить, сажать, продавать, размещать (средства), пристраивать, определять (на работу)

Frans → Spaans - placer

Uitspraak
1. (mettre) meter 2. (invité) sentar
3. (position) situar; colocar 4. (finance) invertir
5. (objets) poner; colocar

Spaans → Frans - placer

Uitspraak
1. (general) plaisir (m)
2. (estado emocional) plaisir (m); aise (f)
3. (deleite) plaisir (m); joie (f); délice (m); jouissance (f); ravissement (m); délectation (f)

Spaans → Russisch - placer

Uitspraak
n. удовольствие, песчаный: песчаная отмель,
v. нравиться

Frans → Turks - placer

Uitspraak
yerleştirmek, koymak; belirtmek; yatırım yapmak

Engels → Arabisch - placer

Uitspraak
‏المتبر راسب محتو على الذهب‏

Engels → Chinees - placer

Uitspraak
(名) 冲积矿; 放置者

Engels → Chinees - placer

Uitspraak
(名) 沖積礦; 放置者

Spaans → Koreaans - placer

Uitspraak
n. 암초, 즐거움
v. 마음에 들다


dictionary extension

Werkwoordsvormen

Participe présent: plaçant
Participe passé: ~é
Impératif présent: -, ~e, - plaçons, ~ez, -
Présent: ~e, ~es, ~e plaçons, ~ez, ~ent
Passé composé: ai ~é, as ~é, a ~é avons ~é, avez ~é, ont ~é
Futur simple: ~erai, ~eras, ~era ~erons, ~erez, ~eront
Imparfait: plaçais, plaçais, plaçait ~ions, ~iez, plaçaient
Passé simple: plaçai, plaças, plaça plaçâmes, plaçâtes, ~èrent
Conditionnel présent: ~erais, ~erais, ~erait ~erions,
© dictionarist.com