Spaans → Engels - origen

Uitspraak
[origen (m)] n. origin, source; beginning; birth, parentage, nationality

Spaans → Duits - origen

Uitspraak
n. ursprung, entstehung, herkunft, abkunft, urquell, uranfang, anfang, urbeginn, anbeginn, abstammung, provenienz, quelle, ausgangspunkt, nullpunkt, ursache, veranlassung

Spaans → Frans - origen

Uitspraak
1. (general) origine (f) 2. (principio) origine (f); genèse (f); naissance (f); commencement (m); source (f)
3. (familia) origine (f) 4. (etnología) descendance (f)
5. (persona) origine (f); extraction (f)

Spaans → Russisch - origen

Uitspraak
n. зарождение, происхождение

Duits → Chinees - origen

Uitspraak
俄利根。三世纪神学家

Spaans → Koreaans - origen

Uitspraak
n. 발단, 원천, 유래


dictionary extension
© dictionarist.com