Frans → Nederlands - investir

Uitspraak
1. (droit) toekennen aan
2. (pouvoir) liggen bij; bekleed worden door
3. (finance) investeren; beleggen

Frans → Engels - investir

Uitspraak
v. invest, expend money or effort for future benefits; empower, install

Portugees → Engels - investir

Uitspraak
v. charge; institute, invest

Spaans → Engels - investir

Uitspraak
[investir] v. invest, authorize

Frans → Duits - investir

Uitspraak
v. anlegen, investieren, stecken, ausstatten, dransetzen, ausbreiten, belagern, besetzen, umzingeln, einkreisen, verleihen, betrauen

Spaans → Duits - investir

Uitspraak
v. belehnen, verleihen, ausstatten, einkleiden

Frans → Italiaans - investir

Uitspraak
1. (droit) conferire a
2. (pouvoir) essere conferito a
3. (finance) investire

Frans → Portugees - investir

Uitspraak
1. (droit) delegar a; conferir a
2. (pouvoir) residir
3. (finance) investir

Frans → Russisch - investir

Uitspraak
v. жаловать, осаждать, инвестировать, вкладывать (эк.), ознаменовать

Frans → Spaans - investir

Uitspraak
1. (droit) atribuido a
2. (pouvoir) atribuido a
3. (finance) invertir

Portugees → Frans - investir

Uitspraak
(finanças) investir; placer

Spaans → Russisch - investir

Uitspraak
v. присваивать

Frans → Turks - investir

Uitspraak
yetki vermek; (bir yeri) kuşatmak; yatırım yapmak

Spaans → Koreaans - investir

Uitspraak
v. 투자하다


dictionary extension

Werkwoordsvormen

Participe présent: ~issant
Participe passé: ~i
Impératif présent: -, ~is, - ~issons, ~issez, -
Présent: ~is, ~is, ~it ~issons, ~issez, ~issent
Passé composé: ai ~i, as ~i, a ~i avons ~i, avez ~i, ont ~i
Futur simple: ~irai, ~iras, ~ira ~irons, ~irez, ~iront
Imparfait: ~issais, ~issais, ~issait ~issions, ~issiez, ~issaient
Passé simple: ~is, ~is, ~it ~îmes, ~îtes, ~irent
Conditionnel présent: ~irais, ~irais, ~irait ~iri
© dictionarist.com