Engels → Nederlands - injure

Uitspraak
ww. wonden, kwetsen, blesseren

Frans → Nederlands - injure

Uitspraak
1. (nom) scheldnaam (m)
2. (discours) beschimping (f); getier (n); scheldwoord (n)
3. (sentiments) belediging (f); insult (n); hoon (m); smaad (m); krenking (f)

Engels → Duits - injure

Uitspraak
v. verletzen; kränken, beleidigen; schädigen

Engels → Engels - injure

Uitspraak
v. hurt; wound; insult, offend; damage
n. insult, abuse, revile, affront

Engels → Frans - injure

Uitspraak
v. blesser; offenser; insulter; nuire

Engels → Indonesisch - injure

Uitspraak
v. melukai, melukakan, merugikan, merusak, mencacati

Engels → Italiaans - injure

Uitspraak
v. fare male a, ferire; danneggiare, pregiudicare, nuocere a; ledere; offendere; (fig) fare un torto a

Engels → Pools - injure

Uitspraak
v. szkodzić, uszkodzić, psuć, zepsuć, kaleczyć, okaleczyć, pokaleczyć, ranić, zranić, poranić, rozbić, krzywdzić, naruszać, obijać, nadwyrężyć, uszkadzać, skrzywdzić, naruszyć

Engels → Portugees - injure

Uitspraak
v. ofender; machucar; ferir; prejudicar

Engels → Roemeens - injure

Uitspraak
v. răni, vătăma, lovi, jigni, leza, ofensa, prejudicia, păgubi, dăuna, strica, avaria, răni: se răni, rău: a-şi face rău

Engels → Russisch - injure

Uitspraak
г. ушибить, повредить, ранить, причинять боль, обидеть, оскорбить, причинять ущерб, испортить

Engels → Spaans - injure

Uitspraak
v. herir, causar daño a, damnificar, dañar, descalabrar, injuriar, lacerar, maleficiar, vulnerar

Engels → Oekraïens - injure

Uitspraak
v. пошкодити, ображати, зіпсувати, зашкоджувати, кривдити, нарушати, повередити, поранити, шкодити

Frans → Engels - injure

Uitspraak
(f) n. insult, abuse, revile, affront

Engels → Grieks - injure

Uitspraak
ρήμ. βλάπτω, πληγώνω, τραυματίζω

Engels → Turks - injure

Uitspraak
f. incitmek, yaralamak, sakatlamak, zedelemek, zarar vermek, kötülük etmek

Frans → Duits - injure

Uitspraak
n. beleidigung, beschimpfung, kränkung, anstoß

Frans → Italiaans - injure

Uitspraak
1. (nom) insulto (m); ingiuria (f)
2. (discours) invettiva (f); invettive (fp)
3. (sentiments) offesa (f); affronto (m); insulto (m); oltraggio (m)

Frans → Portugees - injure

Uitspraak
1. (nom) insulto (m); termo ofensivo
2. (discours) invectiva (f)
3. (sentiments) ofensa (f); afronta (f); insulto (m); ultraje (m)

Frans → Russisch - injure

Uitspraak
n. оскорбление (f), поношение (f)

Frans → Spaans - injure

Uitspraak
1. (nom) injuria (f); insulto (m)
2. (discours) invectiva (f)
3. (sentiments) ofensa (f); afrenta (f); insulto (m); injuria (f); ultraje (m)

Frans → Turks - injure

Uitspraak
[la] sataşma; sövme, küfür; hakaret

Engels → Arabisch - injure

Uitspraak
‏جرح، إنجرح، ضر، آذى، أهان، نزل به ضررا‏

Engels → Chinees - injure

Uitspraak
(动) 伤害; 毁坏; 损害

Engels → Chinees - injure

Uitspraak
(動) 傷害; 毀壞; 損害

Engels → Hindi - injure

Uitspraak
v. घायल करना, घाव करना, चोट पहुंचाना, पीड़ा देना, हानि पहुंचाना, क्षति करना

Engels → Japans - injure

Uitspraak
(動) 傷つける; 傷める; 害する

Engels → Koreaans - injure

Uitspraak
동. 다치다; 상처나게 하다; 모욕하다; 다치게 하다, 해치다

Engels → Vietnamees - injure

Uitspraak
v. làm hại, làm tổn hại, tổn thương, chạm đến danh dự, làm hư, xúc phạm


Werkwoordsvormen

Present participle: injuring
Present: injure (3.person: injures)
Past: injured
Future: will injure
Present conditional: would injure
Present Perfect: have injured (3.person: has injured)
Past Perfect: had injured
Future Perfect: will have injured
Past conditional: would have injured
© dictionarist.com