Engels → Nederlands - impose

Uitspraak
ww. opdringen, opleggen; afdwingen; de indruk geven

Engels → Duits - impose

Uitspraak
v. zwingen, aufzwingen, auferlegen; sich jmd aufdrängen

Engels → Engels - impose

Uitspraak
v. require, compel, force upon; enforce, institute; force oneself on others
v. set, impose; place, impel, force, enforce; assess, tax, levy, obtrude
adj. imposed

Engels → Frans - impose

Uitspraak
v. imposer; forcer; abuser; tromper; taxer

Engels → Indonesisch - impose

Uitspraak
v. menjatuhkan, mengenakan, memikulkan, mengadakan, menentukan, membebankan, memaksakan, menanam, menanamkan, menipu, mengambil kesempatan

Engels → Italiaans - impose

Uitspraak
v. imporre, fare osservare; infliggere; far valere; (rifl) imporsi; (Tip) mettere in macchina

Engels → Pools - impose

Uitspraak
v. nakazać, narzucać, nakładać, obłożyć, pobłogosławić kogoś przez nakładanie rąk, dyktować, podyktować, przełamać, wyświęcać, przełamywać, wyświęcić

Engels → Portugees - impose

Uitspraak
v. impor, obrigar; coagir, pressionar; impor-se; dar a impressão de-

Engels → Roemeens - impose

Uitspraak
v. pune, aranja, aşeza, înşela, băga: se băga în sufletul, impune, profita, trage pe sfoară

Engels → Russisch - impose

Uitspraak
г. облагать, облагаться, обманывать, навязать, навязывать, навязаться, обмануть, обманом продать, всучить, впечатлять, спускать, заключать, верстать

Engels → Spaans - impose

Uitspraak
v. imponer, dictar, forzar, infligir; ser imponente

Engels → Oekraïens - impose

Uitspraak
v. обкладати, зобов'язувати, нав'язувати, обманювати, накладати

Frans → Engels - impose

Uitspraak
[imposé] adj. imposed

Engels → Grieks - impose

Uitspraak
ρήμ. επιβάλλω, απατώ, υπαγορεύω

Engels → Turks - impose

Uitspraak
f. yüklemek, uygulmaya koymak, zorlamak, etkilenmek, yük olmak, yararlanmak, kötüye kullanmak

Engels → Arabisch - impose

Uitspraak
‏فرض، فرض عليه نفسه، إستغل، خدع، فرض نفسه، تطفل‏

Engels → Chinees - impose

Uitspraak
(动) 征; 把...强加于; 加于; 利用; 施影响; 欺骗

Engels → Chinees - impose

Uitspraak
(動) 征; 把...強加於; 加於; 利用; 施影響; 欺騙

Engels → Hindi - impose

Uitspraak
v. लगाना, लागू देना, प्रभाव डालना, मढ़ना, थोपना

Engels → Japans - impose

Uitspraak
(動) 課する; 押しつける

Engels → Koreaans - impose

Uitspraak
동. 요구하다, 강요하다; 위압하다; 강제로 떠맡기다

Engels → Vietnamees - impose

Uitspraak
v. bắt chịu, bắt buộc, cưởng bức, đánh thuế, lừa gạt, đánhn lưa, lạm dụng, sắp chữ vào khuông, lừa phỉnh


Werkwoordsvormen

Present participle: imposing
Present: impose (3.person: imposes)
Past: imposed
Future: will impose
Present conditional: would impose
Present Perfect: have imposed (3.person: has imposed)
Past Perfect: had imposed
Future Perfect: will have imposed
Past conditional: would have imposed
© dictionarist.com