Engels → Nederlands - habitation

Uitspraak
zn. bewoning; huis

Frans → Nederlands - habitation

Uitspraak
1. (maison) woning (f); verblijfplaats (m/f); verblijf (n); huisvesting (f); woonruimte (f); onderkomen (n)
2. (bâtiment) woning (f)
3. (action) bewoning (f); wonen (n)

Engels → Duits - habitation

Uitspraak
n. Wohnung; Wohnstätte

Engels → Engels - habitation

Uitspraak
n. act of occupying a place of residence; residence, place where one lives
n. living, dwelling, residence; home, dwelling place; habitation

Engels → Frans - habitation

Uitspraak
n. habitation; maison

Engels → Indonesisch - habitation

Uitspraak
n. tinggal: tempat tinggal, kediaman: tempat kediaman, kedudukan: tempat kedudukan, didiami: tempat untuk didiami, kediaman, permukiman, mukim, pemukiman, kampung

Engels → Italiaans - habitation

Uitspraak
s. abitazione; dimora

Engels → Pools - habitation

Uitspraak
n. mieszkanie, zamieszkiwanie, siedlisko

Engels → Portugees - habitation

Uitspraak
s. habitação; lar

Engels → Roemeens - habitation

Uitspraak
n. locuire, habitaţie, reşedinţă, casă

Engels → Russisch - habitation

Uitspraak
с. проживание, местожительство, жилище, обиталище

Engels → Spaans - habitation

Uitspraak
s. habitación, morada, residencia

Engels → Oekraïens - habitation

Uitspraak
n. житло, поселення

Frans → Engels - habitation

Uitspraak
(f) n. living, dwelling, residence; home, dwelling place; habitation

Engels → Grieks - habitation

Uitspraak
ουσ. κατοικία, οίκημα

Engels → Turks - habitation

Uitspraak
i. yerleşme, ikamet, oturma, konut, ev

Frans → Duits - habitation

Uitspraak
n. wohnung, behausung, bewohnen, wohnen, wohnhaus

Frans → Italiaans - habitation

Uitspraak
1. (maison) abitazione (f); residenza (f); dimora (f); sistemazione (f); alloggio (m)
2. (bâtiment) abitazione (f)
3. (action) abitazione (f)

Frans → Portugees - habitation

Uitspraak
1. (maison) moradia (f); residência (f); acomodação (f); alojamento (m)
2. (bâtiment) habitação (f); moradia (f)
3. (action) ocupação (f); habitação (f); moradia (f)

Frans → Russisch - habitation

Uitspraak
n. жилище (f), жилье (f)

Frans → Spaans - habitation

Uitspraak
1. (maison) vivienda (f); residencia (f); morada (f); lugar para vivir
2. (bâtiment) morada (f)
3. (action) habitación (f)

Frans → Turks - habitation

Uitspraak
[la] oturma; ev, konut, barınak

Engels → Arabisch - habitation

Uitspraak
‏سكن، سكني، مستعمرة، مستوطن، مسكن، مأوى‏

Engels → Chinees - habitation

Uitspraak
(名) 居住; 住处, 住房, 住所

Engels → Chinees - habitation

Uitspraak
(名) 居住; 住處, 住房, 住所

Engels → Hindi - habitation

Uitspraak
n. निवासस्थान, निवास, घर

Engels → Japans - habitation

Uitspraak
(名) 居住; 住みか

Engels → Koreaans - habitation

Uitspraak
명. 거주지를 차지함; 거주, 주거

Engels → Vietnamees - habitation

Uitspraak
n. sự ở, chổ cư trú, chổ ở, nhà ở


© dictionarist.com