Engels → Nederlands - habit

Uitspraak
zn. gewoonte, gebruik; habijt (van priesters en nonnen)

Frans → Nederlands - habit

Uitspraak
1. (tenue de cérémonie) rok (m); jacquet (m/f/n); pandjesjas (m/f)
2. (tenue de cérémonie - homme) rokkostuum (n); jacquet-kostuum (n)
3. (vêtements) gewaad (n)

Engels → Duits - habit

Uitspraak
n. Sitte, Gewohnheit; Gewand

Duits → Engels - habit

Uitspraak
n. custom, something that one is used to doing

Engels → Engels - habit

Uitspraak
n. custom, something that one is used to doing
n. costume, tail coat, garment, habit, tails

Engels → Frans - habit

Uitspraak
n. habitude, coutûme; habit

Engels → Indonesisch - habit

Uitspraak
n. kebiasaan, adat kebiasaan, gelagat, jiwa: keadaan badan atau jiwa, rupa, pakaian
v. mengenakan

Engels → Italiaans - habit

Uitspraak
s. abitudine, costume, consuetudine; vezzo, vizio; carattere, temperamento; abito, vestito; costume da amazzone

Engels → Pools - habit

Uitspraak
n. zwyczaj, przyzwyczajenie, nawyk, nałóg, obyczaj, habit zakonny, maniery, pokrój drzewa

Engels → Portugees - habit

Uitspraak
s. hábito, uso, costume; uniforme

Engels → Roemeens - habit

Uitspraak
n. obicei, dat, obişnuinţă, deprindere, apucătură, purtare, comportare, conduită, nărav, aspect exterior, constituţie fizică, veşmânt, veşminte
v. îmbrăca, înveşmânta, locui

Engels → Russisch - habit

Uitspraak
с. привычка, повадка, обычай, обыкновение, черта, характерная черта, свойство, особенность; характер развития; облачение, одеяние; костюм для верховой езды

Engels → Spaans - habit

Uitspraak
s. hábito, costumbre, costumbrismo, tradición, usanza

Engels → Oekraïens - habit

Uitspraak
n. звичка, звичай, характер, звик, мода, навичка, норов
v. одягати, населяти

Frans → Engels - habit

Uitspraak
(m) n. costume, tail coat, garment, habit, tails

Engels → Grieks - habit

Uitspraak
ουσ. συνήθεια, ένδυμα, ενδυμασία

Engels → Turks - habit

Uitspraak
i. alışkanlık, adet, huy, yapı, kafa yapısı, bağımlılık, elbise, kıyafet, yaşam biçimi

Frans → Duits - habit

Uitspraak
n. bekleidung, kleidung, kluft, ordenstracht, anzug, frack, ornat, kleid: kleider

Frans → Italiaans - habit

Uitspraak
1. (tenue de cérémonie) marsina (f); frac {invariable}; giacca a coda di rondine
2. (tenue de cérémonie - homme) frac {invariable}; marsina (f)
3. (vêtements) abito (m)

Frans → Portugees - habit

Uitspraak
1. (tenue de cérémonie) fraque (m)
2. (tenue de cérémonie - homme) fraque (m)
3. (vêtements) vestimenta (f); traje (m)

Frans → Russisch - habit

Uitspraak
n. предмет одежды (m)

Frans → Spaans - habit

Uitspraak
1. (tenue de cérémonie) frac (m); chaqué (m)
2. (tenue de cérémonie - homme) frac (m); traje de etiqueta
3. (vêtements) vestidura (f)

Frans → Turks - habit

Uitspraak
[le] elbise, giysi

Engels → Arabisch - habit

Uitspraak
‏بذلة ركوب الخيل، خلق، رداء، روتين، سلوك، شيمة، طبع، طريقة مميزة، عادة، عرف‏

Engels → Chinees - habit

Uitspraak
(名) 习惯, 习性, 嗜好

Engels → Chinees - habit

Uitspraak
(名) 習慣, 習性, 嗜好

Engels → Hindi - habit

Uitspraak
n. आदत, चसका, अभ्यास, स्वभाव, व्यवहार, मुहावरा, पोशक
v. पहनाना

Engels → Japans - habit

Uitspraak
(名) 癖; 習慣; 習性

Engels → Koreaans - habit

Uitspraak
명. 버릇, 습관

Engels → Vietnamees - habit

Uitspraak
n. thói quen, thói thường, lệ thường, tập quán, tánh tình, khí thế, cách mọc lên, áo bà phước, nhiểm thói quen
v. mặc quần áo, bận quần áo, tập quán


dictionary extension

Werkwoordsvormen

Present participle: habiting
Present: habit (3.person: habits)
Past: habited
Future: will habit
Present conditional: would habit
Present Perfect: have habited (3.person: has habited)
Past Perfect: had habited
Future Perfect: will have habited
Past conditional: would have habited
© dictionarist.com