appointment in Spaans

Uitspraak
s. cita, compromiso, entrevista; nombramiento, designación, nominación; puesto, cargo; citación, convocación, convocatoria

Voorbeeldzinnen

Arrange an appointment with the consul.
Arregla una cita con el cónsul.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
We made the appointment for next Friday.
Concertamos la cita para el próximo viernes.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
If you want, we can leave tomorrow’s (appointment) for Wednesday.
Si quiere, dejamos lo de mañana para el miércoles.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
Do you have an appointment?
¿Tiene una cita?
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
I am sorry to cancel the appointment at the last minute.
Lamento cancelar la cita a última hora.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
I had to postpone my appointment.
Tuve que posponer mi cita.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
I have a dentist appointment.
Tengo una cita con el dentista.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
I have a previous appointment.
Tengo una cita previa.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
I have an appointment to visit a guru in India.
Tengo una cita para visitar a un gurú en la India.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
I have an appointment.
Tengo una cita.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!




© dictionarist.com