count in Italiaans

Uitspraak
s. conteggio, conto, calcolo; (Dir) capo d'accusa; (Tess) titolo; conta
v. contare; calcolare, conteggiare; annoverare; considerare, reputare, ritenere

Voorbeeldzinnen

There are 300 shops and counting.
Ci sono 300 negozi e uffici commerciali.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
Vincent could always count on them.
Vincent poteva sempre contare su di esse.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
By the time we got to Rome the head count of slaves taken, numbered in the thousands.
Al momento del nostro arrivo a Roma, il conteggio degli schiavi deportati arrivava al migliaio.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
Count from one to ten.
Conta da uno a dieci.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
Count on it.
Contaci.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
Count on me.
Conta su di me.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
Count to ten.
Conta fino a dieci.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
Count to thirty.
Conta fino a trenta.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
Count up to thirty.
Conta fino a trenta.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!
Do not count your chickens before they are hatched.
Non contare i tuoi polli prima che siano usciti dall'uovo.
Uitspraak Uitspraak Uitspraak Report Error!

Synoniemen

1. enumerate: reckon, compute, number, add up, numerate, sum, tale
2. nobleman: peer
3. influence: weight, tell



© dictionarist.com