Engels → Nederlands - cook

Uitspraak
zn. kok
ww. koken; bereiden, klaarmaken
zn. Cook (achternaam)

Engels → Duits - cook

Uitspraak
n. Koch
v. kochen
n. Cook. Nachname; Kapitän James Cook (1728-1779), englischer Seefahrer und Forschungsreisender

Duits → Engels - cook

Uitspraak
n. cook

Engels → Engels - cook

Uitspraak
n. one who prepares food, chef
v. prepare food by heating; be prepared by heating (of food); falsify account records
n. family name; Captain James Cook (1728-1779), English navigator and explorer

Engels → Frans - cook

Uitspraak
n. cuisinier; chef
v. cuire, cuisiner; préparer; falsifier les comptes
n. Cook, nom de famille; Capitaine James Cook (1728-79), navigateur et explorateur anglais

Engels → Indonesisch - cook

Uitspraak
n. tukang masak, pemasak, koki
v. memasak, mematangkan, mempersediakan, tukang: menjadi tukang masak

Engels → Italiaans - cook

Uitspraak
s. cuoco
v. cucinare, cuocere; (fam) falsificare, alterare, manipolare
s. cuoco

Engels → Pools - cook

Uitspraak
n. kucharz, kok
v. gotować, ugotować, przyrządzać, piec, fałszować, gotować się

Engels → Portugees - cook

Uitspraak
s. cozinheiro
v. cozinhar
s. Cook, sobrenome; Capitão James Cook (1728-1779), navegador e explorador inglês

Engels → Roemeens - cook

Uitspraak
n. bucătar, bucătăreasă
v. găti, face praf {fam.}, fierbe, coace, prăji, pregăti, arde, face, pune la cale, născoci, falsifica, pregăti: se pregăti, coace: se coace

Engels → Russisch - cook

Uitspraak
с. повар, кухарка, кок, кашевар, кулинар, повариха, стряпуха
г. готовить пищу, готовить, варить, жарить, вариться, жариться; жариться на солнце; подделывать; фабриковать, придумать

Engels → Spaans - cook

Uitspraak
s. cocinero, guisador
v. cocinar, cocer, freír, guisar, guisotear, hervir
s. cocinero, guisador

Engels → Oekraïens - cook

Uitspraak
n. кухар, кухарка, кок
v. куховарити, готувати, смажитися, варити, готуватися, зварити

Italiaans → Engels - cook

Uitspraak
n. Cook, Captain Cook, Captain James Cook, English navigator and explorer (1728-79)

Engels → Grieks - cook

Uitspraak
ουσ. μάγειρας, μαγείρισσα, μάγειρος
ρήμ. μαγειρεύω, ψήνω, τηγανίζω, πλαστογραφώ

Engels → Turks - cook

Uitspraak
f. yemek yapmak, pişirmek, pişmek; uydurmak; oynama yapmak; mahvetmek
i. aşçı

Engels → Arabisch - cook

Uitspraak
‏طبيخ، الطاهي، طاه‏
‏وقع في ورطة، طها، طبخ، تلاعب‏

Engels → Chinees - cook

Uitspraak
(名) 厨师
(动) 烹调, 加热, 煮饭; 做菜; 发生; 被烧煮

Engels → Chinees - cook

Uitspraak
(名) 廚師
(動) 烹調, 加熱, 煮飯; 做菜; 發生; 被燒煮

Engels → Hindi - cook

Uitspraak
n. रसोइया
v. पकाना, भोजनादि पकाना, रांधना

Engels → Japans - cook

Uitspraak
(動) 料理する, 調理する; 作り上げる; 手加減する; でっちあげる
(名) コック, 料理人, 調理師; 煮沸; 余詰め
(名) クック, 姓; キャプテン ジェームス クック(1728-1779), 英国の航海士で探検家; クック山

Engels → Koreaans - cook

Uitspraak
명. 요리사
동. 요리하다; 조리하다; 못쓰게 만들다
명. 쿡, 제임스 쿡 선장(1728-79), 영국의 항해자 및 탐험가; 성

Engels → Vietnamees - cook

Uitspraak
n. người nấu ăn, đầu bếp, thợ nấu
v. nấu, làm cơm, làm bếp, nấu ăn, đồ ăn chín

Duits → Chinees - cook

Uitspraak
库克。科克。姓氏。


Werkwoordsvormen

Present participle: cooking
Present: cook (3.person: cooks)
Past: cooked
Future: will cook
Present conditional: would cook
Present Perfect: have cooked (3.person: has cooked)
Past Perfect: had cooked
Future Perfect: will have cooked
Past conditional: would have cooked
© dictionarist.com