Engels → Nederlands - condescend

Uitspraak
ww. je zelfrespekt verliezen; je laten vernederen

Engels → Duits - condescend

Uitspraak
v. auf seine Ehre verzichten, sich erniedrigen lassen

Engels → Engels - condescend

Uitspraak
v. voluntarily lower oneself; patronize, act in a proud manner toward others
v. condescend, deign, vouchsafe

Engels → Frans - condescend

Uitspraak
v. condescendre, s'abaisser à

Engels → Indonesisch - condescend

Uitspraak
v. berkenan, menurunkan martabat, melindungi: bersikap melindungi, berlagak, jual lagak, ramah thd bawahan

Engels → Italiaans - condescend

Uitspraak
v. condiscendere, accondiscendere, consentire, acconsentire; degnarsi; mostrarsi condiscendente

Engels → Pools - condescend

Uitspraak
v. raczyć coś zrobić, chylić {przen.}, zniżać się

Engels → Portugees - condescend

Uitspraak
v. condescender, ceder; rebaixar-se, deixar-se rebaixar

Engels → Roemeens - condescend

Uitspraak
v. binevoi să, osteni să, pofti {fig.}, apleca: se apleca la, coborî: se coborî la

Engels → Russisch - condescend

Uitspraak
г. снизойти, удостоить; ронять свое достоинство, унижаться

Engels → Spaans - condescend

Uitspraak
v. condescender, dignarse, obtemperar, transigir; contemporizar; ser condescendiente

Engels → Oekraïens - condescend

Uitspraak
v. удостоїти, зволити, принижуватися, низійти

Engels → Grieks - condescend

Uitspraak
ρήμ. καταδέχομαι

Engels → Turks - condescend

Uitspraak
f. tenezzül etmek, lütfetmek, küçümseme ile davranmak

Engels → Arabisch - condescend

Uitspraak
‏تعطف، ذل نفسه، تنازل، تلطف‏

Engels → Chinees - condescend

Uitspraak
(动) 谦逊; 屈尊

Engels → Chinees - condescend

Uitspraak
(動) 謙遜; 屈尊

Engels → Hindi - condescend

Uitspraak
v. मंज़ूर करना, स्वीकर करना

Engels → Japans - condescend

Uitspraak
(動) 謙遜する; 謙虚に振舞う; 恩を売る; 堕落する

Engels → Koreaans - condescend

Uitspraak
동. 자기를 낮추다; 생색 내다

Engels → Vietnamees - condescend

Uitspraak
v. hạ mình, chiếu cố, chiều, nhường nhịn


Werkwoordsvormen

Present participle: condescending
Present: condescend (3.person: condescends)
Past: condescended
Future: will condescend
Present conditional: would condescend
Present Perfect: have condescended (3.person: has condescended)
Past Perfect: had condescended
Future Perfect: will have condescended
Past conditional: would have condescended
© dictionarist.com