Engels → Nederlands - concur

Uitspraak
ww. samenvallen, overeenstemmen

Engels → Duits - concur

Uitspraak
v. übereinstimmen, zustimmen, beipflichten

Engels → Engels - concur

Uitspraak
v. agree; harmonize; coincide; collaborate

Engels → Frans - concur

Uitspraak
v. donner son agrément; convenir; se produire simultanément; coopérer

Engels → Indonesisch - concur

Uitspraak
v. terjadi bersamaan, bertepatan, setuju, sependapat, sependirian, bertindak bersamaan

Engels → Italiaans - concur

Uitspraak
v. concordare, essere d'accordo, convenire; concorrere, contribuire; coincidere

Engels → Pools - concur

Uitspraak
v. zbiec się, współdziałać, zgodzić się, sprzysiąc się, sprzysięgać się

Engels → Portugees - concur

Uitspraak
v. concordar; concorre; combinar; contribuir; coincidir

Engels → Roemeens - concur

Uitspraak
v. coincide, colabora la, contribui, produce: se produce simultan

Engels → Russisch - concur

Uitspraak
г. совпадать, соглашаться, сходиться во мнениях, действовать сообща

Engels → Spaans - concur

Uitspraak
v. concurrir, asentir, coincidir, concordar, consentir, converger, convergir, estar de acuerdo; presentarse; concomitar

Engels → Oekraïens - concur

Uitspraak
v. збігатися, погоджуватися, спільно: діяти спільно

Engels → Grieks - concur

Uitspraak
ρήμ. συντρέχω, συμβάλλω, συμπίπτω, συναίνω

Engels → Turks - concur

Uitspraak
f. aynı anda olmak, rastlamak, elbirliği yapmak, hemfikir olmak, uyuşmak, kesişmek

Engels → Arabisch - concur

Uitspraak
‏إتفق، تعاون، إلتقى، تزامن‏

Engels → Chinees - concur

Uitspraak
(动) 意见相同, 互助, 一致

Engels → Chinees - concur

Uitspraak
(動) 意見相同, 互助, 一致

Engels → Hindi - concur

Uitspraak
v. मिलना-जुलना, मेल खाना

Engels → Japans - concur

Uitspraak
(動) 同意する; 一致する; 同時に起こる

Engels → Koreaans - concur

Uitspraak
동. 동의하다; 부합하다; 동시에 일어나다; 협력하다

Engels → Vietnamees - concur

Uitspraak
v. cùng xảy ra, hiệp trợ, đồng ý


Werkwoordsvormen

Present participle: concurring
Present: concur (3.person: concurs)
Past: concurred
Future: will concur
Present conditional: would concur
Present Perfect: have concurred (3.person: has concurred)
Past Perfect: had concurred
Future Perfect: will have concurred
Past conditional: would have concurred
© dictionarist.com